Broodje afwijzing

Het is meer dan een week geleden dat ik met één van mijn vermoedelijke nichten belde. Weer slaat de twijfel toe: had ik wel naar het juiste emailadres gemaild? Misschien wou ze me wel contacteren maar kon ze niet omdat ik tijdens het telefoongesprek mijn gsmnummer niet had vermeld.

Ik besluit terug te bellen. Deze keer zit ze niet aan haar bureau en vraag ik haar collega mijn naam en nummer te noteren. Een dag gaat voorbij en ik hoor of lees niets van haar. Die avond stuur ik haar een tweede mailtje en ga ik wachtronde 5 in. 

Er gaat een dag voorbij. Ik plof mijn tas neer en vertel mijn gezin dat ik nog altijd niets heb vernomen. Na het avondeten neem ik mijn laptop ter hand. Rechtsboven zie ik een pop up mail-icoontje met haar naam verschijnen. Ze heeft terug gemaild. Stress slaat me om het hart. Ik durf het bericht niet te openen. Mijn elfjarige dochter pakt de computer, opent de mail en leest hem voor. 

Hallo Steph,

Zowel mijn moeder, zus en ikzelf hebben jouw mail gelezen. Wij wensen echter geen contactname en hopen dat u dit zal respecteren.

Met vriendelijke groet, XX

76664766_xl-kopie-604x270.jpg

Mijn hart breekt doch probeer ik me sterk te houden. Ik zie in de ogen van mijn kinderen en manlief dat ze beseffen dat ik net afgewezen werd, maar begrijpen doen ze het niet. Ze komen rond me staan om de net ingeslagen krater met hun liefde te kunnen opvullen. Ik wuif hun bezorgdheden weg, zeg dat het me niet veel doet omdat ik toch nog een plan B heb klaar staan. 

Die avond leg ik mijn kinderen te slapen. Ik kijk naar mijn dochter en voel de tranen op zwellen. Ze legt haar hand op mijn arm en tracht me met haar blik te troosten. Ik zeg haar dat ik niet droevig wil zijn, maar dat ik het wel ben. Dat het me verdriet doet om zomaar opzij geschoven te worden nog voor ik hen oprecht mijn verhaal en vragen voorleggen kan. Dat ik meer en beter verdien dan de manier waarop ik behandeld wordt. Dat ik er niet aan kan doen dat ik besta – ik had er namelijk geen enkel aandeel in – en me afvraag waarom net de mensen bij wie ik (h)erkenning zoek me precies constant het gevoel geven dat ik er niet mag zijn.

Als een broodje dubbele afwijzing: aan de ene kant heb je mijn niet-biologische familie die me verwierp omdat ik hun bloed en genen niet had, aan de andere heb je mijn biologische familie die niet met mijn bestaan geconfronteerd wil worden. Als een straathond word je keer op keer aan de kant geschopt.

Maar ik ben er en ben het beu om altijd voorzichtig met iedereen rekening te moeten houden terwijl die ander vaak niet bereid is hetzelfde te doen. Tuurlijk had ik mijn vragen rechtstreeks aan mijn potentiële biologische vader willen stellen, maar hij is naar alle waarschijnlijkheid overleden. Ik had hem kunnen kennen, maar ik mocht niet. Meer nog: een hoop mensen hebben ontzettend hun best gedaan om het me (ons) zo moeilijk mogelijk te maken.

Ik heb het recht om te weten waar ik echt vandaan. Me negeren, cuplpabilseren of afwijzen doet me niet verdwijnen.

Groet,
Steph

Brief aan mijn opvoedvader

Vorige zomer stak mijn zus een brief in de bus van onze opvoedvader. Heel wat was namelijk onuitgesproken gebleven toen hij nu een 14 jaar geleden besloot om ons systematisch uit zijn leven weg te gommen.

Phie’s brief was eerlijk en oprecht. Niet dat ze verwachtte dat hij de moeite zou nemen om haar erna te contacteren. Hij hulde haar, zoals hij dat vaak had gedaan, in een stille verloochening. Niet veel later had Phie een nachtmerrie. Ze droomde dat hij dit jaar nog zou sterven.

Geen van ons allen is een eeuwig leven geschonken. Ooit zal hij ook komen te gaan. Ikzelf heb hem al jaren niet meer gesproken of gezien. De laatste keer dat ik hem zag was toen ik hem voor mijn kinderen vanachter een omheining aanwees. Want hij verloochent niet alleen ons, hij verloochent iedereen die aan ons verbonden is.

Laatst vroeg ik me af of ik hem eigenlijk nog iets te zeggen heb. Iets dat hij weten mag voor hij zijn laatste adem uitblaast. Of neem ik genoegen met de slachtofferrol die hij zichzelf  toekende en laat ik hem – maar ook anderen – in de illusie dat hij een goede vader was?

Voor mezelf heb ik allang beslist niet meer in de leugens of schijn van anderen te willen leven. Ik heb het recht om zaken daadwerkelijk te benoemen. So here goes:

Antwerpen, 10 dec 2019

Beste Walter (want vader noem ik je al lang niet meer),

Hier Steph, die dochter die je om tal van redenen liever niet had gehad. Het laatste dat ik via via van je heb gehoord is toen een student je een drietal jaar geleden voor zijn eindwerk had gecontacteerd om jouw kant in het donorconceptie-verhaal te belichten.

Je had de jongeman vriendelijk bedankt en verteld dat je geen interviews gaf. Je gaf hem ook te kennen dat het je stoort dat ik af en toe in de media verschijn. Naar het schijnt beschouw je mijn queeste om de fundamentele rechten van donorkinderen toegekend te krijgen als een persoonlijke aanval. Vreemd, daar mijn strijd niet om jou draait. Ik tracht er gewoon te zorgen dat volgende generaties niet of minder hard horen te vechten voor zaken die hen toebehoren.

Ik weet nog hoe je ons op een zondag op het internaat in Dilbeek afzette. We waren tieners, toen één van de andere internen ons in de gang kruiste. Géraldine was haar naam. Tot op vandaag ben ik haar naam niet vergeten. Ze was het standaard meisje dat daar schoolliep: een klassieke schoonheid. Eentje met opgestoken haar, een gedistingeerde wandel en parels in de oren. Je mijmerde iets van: “Waarom lijken jullie niet op haar?”.

Op dat moment wist ik nog niet precies wat je bedoelde. Achteraf besefte ik dat je alludeerde op de teleurstelling die je had ondervonden omdat je kinderen moest grootbrengen die niet echt de jouwe waren. Het was je vrouw die je emotioneel ertoe had gedwongen, als de arts die je had meegedeeld dat je zogezegd onvruchtbaar was.

De rode draad door ons bestaan was je herhaaldelijke kennisgave dat je liever geen kinderen had gehad. Karma leek dan ook een gigantische bitch toen je vrouw van een drieling zwanger werd.

Verschillende keren vertelde je ons dat je ons enkel als baby wel schattig vond. Maar dat vanaf het moment dat we lopen konden, je ons liever niet meer in huis had. Dat was lang voor de tijd dat we wisten dat we donorkinderen waren. Nog zuurder werd de appel toen je vrouw twee jaar later spontaan van je eigen biologische zoon zwanger werd.

Misschien is het tot hier dat ik de wendingen in ons verhaal begrijpen kan. Ik kan zelfs enige empathie opbrengen om hetgeen het met jou moet gedaan hebben toen je besefte dat je vrouw en een ‘gerenommeerde’ arts je geheel onterecht in onomkeerbaar parcours geduwd hadden. Maar dit gegeven zal nooit kunnen rechtvaardigen hoe je ons behandeld hebt en bleef behandelden.

Als ik je herinner als ‘vader’ dan herinner ik je me vooral als iemand die zich maar al te graag in een slachtofferrol wentelde. Je werd altijd gedwongen of zat vast in een leven dat je niet wou. Alle excuses waren goed genoeg om je verantwoordelijkheden niet ten volle te moeten opnemen. Doch was je één van de volwassen die ik bij aanvang in mijn leven het liefste dichtbij me had, zelfs met al je imperfecties.

Gebeurtenissen die jou voor mij als mens en surrogaatvader definiëren zijn: je afwezigheid en desinteresse ten aanzien van ons. Je stak het op je werk. Ik zie het eerder als vluchten van een leven en gezin dat je niet wou. Maar niet alleen je afwezigheid en afwijzing typeert je. Een gebrek aan ruggengraat is ook iets wat ik aan jou toewijzen kan.

Je liet jarenlang toe dat je vrouw, onze moeder, ons mishandelde. Je zus informeerde je ooit dat het lichaampje van je driejarige biologische zoon bont en blauw zag. Doch nam je geen enkel initiatief om ons te beschermen of veilig(er) te stellen. Meer meldingen van mishandelingen zouden jaar na jaar volgen, maar ook daar deed je niets mee. Kop in het zand en hopen dat je er niet op aangesproken wordt. Indien toch het geval, je zieligste blik boven halen in de hoop aan sympathie te winnen. Negeren en ontkennen is ook een manier van leven, niet?

Af en toe participeerde je zelf in het geweld. Zoals die keer dat je op commando van je vrouw je oudste (wettelijke) zoon bij elkaar sloeg daar in de gang van de garage naar de keuken. Hij was zogezegd te laat thuisgekomen en moest dit aan den lijve ondervinden. Het was die avond dat Marijn, je schoonmoeder, besloot om nooit meer bij ons te logeren.

Of weet je nog die tijd dat je zus je jongste zoon in het gezicht had geslagen? Hij was toen twintig jaar oud. Je zus had hem geslagen omdat hij haar absurde opgelegde regeltjes niet tot in de puntjes had nageleefd. Je moeder was hem achternagelopen om hem te troosten. Toen ze je zus hierover achteraf aansprak moest oma het ook ontgelden. Zes maanden zou ze door haar beide kinderen genegeerd worden. Jij moest ‘meedoen’ want het kon niet dat je zus in de fout was.

Ooit heb ik je gesmeekt om ruimte en gelegenheid te laten aan diegenen die nog tijd met elkaar wilden doorbrengen. Jarenlang heb je je best gedaan om dit voor oma en ons zo moeilijk mogelijk te maken. Oma woonde bij jou en je zus maar werd regelmatig in een rusthuis gedropt als je zus genoeg van haar had. Gelukkig kende ik iemand in het rusthuis die me op de hoogte bracht wanneer ze er zat, zodat ze toch iets van bezoek kreeg.

Tijd samen moest stiekem want het werd door jullie niet toegelaten. De geboortekaartjes van onze kinderen, die aangetekend naar oma werden verzonden, werden onderschept en haar nooit bezorgd. Foto’s van haar achterkleinkinderen werden uit haar kamer meegenomen. We slikten keer op keer. Ik heb oma nooit zoveel weten huilen, niet alleen bij ons maar ook bij de verpleging omdat ze niet begreep waarom haar kinderen haar zo behandelden.

Het was je zus die oma in de laatste week van haar leven wou laten sterven in een versleten pyjama omdat ze aan haar geen geld meer wou spenderen. Weet je dat ik die week pyjama’s voor oma ben gaan kopen zodat ze waardiger heen kon gaan?

Het was jij die besloot ons, de drieling, op haar doodsbrief niet als haar kleinkinderen te vermelden ook al had ze dat zelf wel gewild. Jij belde een paar dagen voor haar begrafenis om te zeggen dat we op de koffietafel niet gewenst waren. En het was jouw nicht die me na de begrafenis van oma terugmailde en me aansprak met het woord ‘bastaard’, want het venijn kruipt ook daar waar het niet gaan kan.

Een paar jaar voor haar heengaan bood ik jou een plek in het leven mijn zoon toen hij nog in mijn buik zat. Je bedankte hiervoor met als repliek: ‘Je denkt toch niet dat ik meer moeite voor hem ga doen, dan ik voor jullie heb gedaan’ en een ‘het hoeft niet voor mij’. Na zijn geboorte of die van mijn dochter liet je na iets van je te laten horen.

Ondertussen weet ik dat mijn kinderen en ik beter af zijn zonder jou, ook al had ik hen graag een fijne grootvader gegund. Mochten ze je ooit willen ontmoeten, weet dat het mogelijk is dat ik ooit op een dag met hen aan de voordeur van mijn ouderlijk huis sta. Het huis dat ze nog nooit bezochten omdat er voor hen als voor mij geen plaats was. Het is dè plek waar al onze foto’s werden weggehaald, lang nog voor enig interview werd gegeven.

Ik herinner me dat je me ooit in een ruzie toeriep: ‘Wacht maar tot als jij kinderen hebt’, ik repliceerde: ‘Slechter als jullie kan ik het toch niet doen’. Profetische woorden daar jij en mijn moeder de maatstaf werden om het vooral anders aan te pakken. En ja, perfect ben ik ook niet, maar hier wel de capaciteit om te reflecteren en trachten zo goed mogelijk voor mijn kinderen te zorgen. Hun bestaan doet het voorrecht te erkennen om in dit leven naast hen te mogen wandelen.

Weet dat ik gelukkig ben, misschien zelfs het gelukkigst dan ik ooit ben geweest. Ik heb nu door dat opgelegde verwachtingen enkel verachtingen van jouw kant zijn geweest. Ik besef des te langer dat het niet aan mij lag, maar aan jouw incompetentie om een goede vader te zijn. Ik hoef mezelf niet meer te verloochenen ook al deed jij dat wel.

Jij bent niet de vader die ik mezelf gegund of toegewenst had. Jij bent dat nooit geweest, ook al voorzag mijn kinderhart een grote plek voor je. Ik verdiende beter en meer. Ons leven had anders kunnen zijn, had je ooit iets meer mens en iets minder van excuus geweest.

Als ik je visualiseer denk ik aan een grijze man, die nog steeds aan diezelfde keukentafel met een fles wijn en sigaret in de hand zich beklaagt over het leven. Aan de overkant je zus die je inlepelt wat je denken, voelen en doen moet. Hier ergens ook opgelucht dat ik daar geen deel meer van uitmaak.

Laten we vooral stellen dat ik blij ben verlost te zijn van het korset waar mijn ziel nooit in paste en nooit in zal passen. En dat door deze brief te schrijven ik een deel van de ballast dat ik al veertig jaar met me meesleur, eindelijk wat uit mijn rugzakje kan halen.

Het gaat je goed en waarschijnlijk tot nooit meer.

Groet,
Steph

STP 2.jpeg

Hij kwam (klaar), zag (een exit) en (ver)won(de)

Als je seks tussen je twee ouders al akward vindt, wat maak je dan van de gedachte dat je biologische vader ergens in een klein lokaaltje – mogelijks een schimmig toilet – met zijn broek tot aan zijn enkels over een oude Playboy stond te masturberen? Of misschien had hij enkel zijn fantasie en de hoop zo snel, als zoveel mogelijk, sperma gericht in een beker te kunnen schieten?

Trousers-down.jpg

Visueel genoeg voor jullie? Voor mij is het een gedachte die af en toe voorbij flitst. Het is namelijk de enige zekerheid die ik over mijn vader heb: een man die nadat hij was klaargekomen de deur achter zich dicht trok. En die met diezelfde handen het witte goud in wat zak-geld omruilde (pun intended).

Stam ik van zijn eerste commerciële kwak af? Of was hij regelmatige leverancier bij de arts en ben ik er eentje uit kwak nr. 10? Werd hij beter in het projectiel-ejaculeren of gingen tientallen halfbroers en -zussen verloren toen hij regelmatig er gedeeltelijk naast schoot? Had hij toen zelf al kinderen? En heeft ie ooit stilgestaan bij de mogelijkheid dat er kopietjes van hem en hen rondlopen kunnen?

Mijn halfbroer en ik schelen 12 dagen. Het vermoeden is er dat wij uit dezelfde spermaplas komen. Het is een vreemde gewaarwording, beseffen dat het moment dat ik het dichtst bij mijn halfbroer vertoefde was toen de spermatozoïden die voor onze verwekking zouden zorgen in aparte rietjes door de arts werden opgetrokken.  Zijn we dan niet ergens half-tweelingen van elkaar, ook al ontwikkelden we in verschillende (baar)moeders?

Ik kan en wil niet vatten dat een man – mijn vader – zomaar van zijn nageslacht wegwandelen kon. Zich nooit de bedenking maakt of èn wie die kinderen zijn die op een ander werden grootgebracht. Doof en blind voor het effect op een kind dat met een halve of valse identiteit opgroeien moet. Een mensje dat daarbovenop verwerken moet dat het door eigen vlees en bloed verstoten werd nog voor het bestond. Er bestaat geen grotere afwijzing dan afgestoten of verworpen te worden door de mens(en) waar je van afstamt. Diep en haast onherstelbaar is de krater na inslag.

Dus voor zij die overwegen ei- of zaadcellen te doneren: just don’t. De kans zit er namelijk dik in dat een ander donorkind over twintig jaar het verdriet, gemis en onrecht van zich probeert af te snijden.

Groet,
Steph