Blank space

Het nieuws dat ze geen contact met me wensen heeft er hard ingehakt. Ik nam afstand en tijd om wonden te verzorgen. Ik schreef hen nog één laatste bericht.

Dag XX,

Het is even geleden dat ik je mailtje heb binnengekregen. Ik heb nog niet gereageerd want toen mijn leven na je mailtje even stil viel, kwam het hele land door de COVID-19 epidemie tot stilstand. Ik werk in een cruciale sector en het was alle hens aan dek om onze medewerkers (verder) te helpen. De sluiting van de scholen deed de werk/gezin/vrije tijd-balans ook wat wankelen.

Nu structuur wat is terug gekeerd, neem ik het klavier nog een keertje ter hand om je te schrijven. Je mail deed me verdriet, niet zozeer omdat je geen contact wil (daar kan ik jou of een ander niet toe verplichten) maar omdat je mijn vraag niet harder had kunnen afketsen.

Ik ben niet op zoek naar contact, ik ben enkel op zoek naar een mogelijkheid om een fundamentele vraag over mezelf eindelijk te kunnen beantwoorden. Het is een vraag die me nu al 16 jaar bezig houdt, misschien in mijn onderbewustzijn nog langer. Het tekende me omdat ik niet weet wie ik ben daar ik niet weet waar ik echt vandaan kom. Daarnaast beïnvloedde het gegeven familiale relaties, maar ook andere banden bleven niet onaangetast.

Mijn leven staat los van het jouwe en omgekeerd, doch bevind ik me op een kruispunt met jouw familie. Ik vraag niet om paden naast elkaar te laten lopen, maar gewoon om te willen helpen zodat ik (weer) verder kan. Mijn onderzoek doet me ondertussen vermoeden – maar 100% zeker ben ik niet – dat je oom of je grootvader mogelijks mijn biologisch vader zou kunnen zijn. Ik denk eerder je oom gezien de leeftijd en het gegeven dat hij in Brussel studeerde toen ik verwekt werd.

Ik kan er zelf niet aandoen dat ik mijn afkomst niet ken, daar ben ik namelijk niet verantwoordelijk voor. Diegenen die hier wel een aandeel in hadden zijn ondertussen overleden. Ik zou niet liever willen dat je oom of grootvader nog leefden, dan kon ik hen mijn vraag rechtstreeks voorleggen. Maar dat gaat niet (meer), hoe hard ik altijd heb verlangd mijn biologische vader in levende lijve te kunnen ontmoeten.

De kern van mijn vraag naar jou (of jullie toe) is een vraag van empathie en wat bereidwilligheid. Ik hoef niets van jullie (geen geld, geen elkaar moeten leren kennen of andere zaken). Ik ben ook bereid om de DNA-test te betalen. De uitslag van zo een test is op geen enkele manier bindend: niet op juridisch maar ook niet op emotioneel vlak. Zijn we niet aan elkaar verwant, dan weet ik dat dat de antwoorden ergens anders moeten liggen. Of als je weet hebt dat je oom kinderen had, dan kan ik hen hierover bevragen. Voor zover ik weet had hij er geen.

De afgelopen jaren heb ik mijn zoektocht redelijk publiekelijk gedeeld. No worries: ik ben altijd zeer discreet als ik iets neerpen of een interview geef. De afgelopen blogs gaan over de ontwikkelingen van vorige maand. Misschien krijg je dan een beter beeld over mezelf en intenties. I really mean no harm.

Met vriendelijke groet,
Steph
78cd5fcb54acb0455d7f8da63a67264d

Broodje afwijzing

Het is meer dan een week geleden dat ik met één van mijn vermoedelijke nichten belde. Weer slaat de twijfel toe: had ik wel naar het juiste emailadres gemaild? Misschien wou ze me wel contacteren maar kon ze niet omdat ik tijdens het telefoongesprek mijn gsmnummer niet had vermeld.

Ik besluit terug te bellen. Deze keer zit ze niet aan haar bureau en vraag ik haar collega mijn naam en nummer te noteren. Een dag gaat voorbij en ik hoor of lees niets van haar. Die avond stuur ik haar een tweede mailtje en ga ik wachtronde 5 in. 

Er gaat een dag voorbij. Ik plof mijn tas neer en vertel mijn gezin dat ik nog altijd niets heb vernomen. Na het avondeten neem ik mijn laptop ter hand. Rechtsboven zie ik een pop up mail-icoontje met haar naam verschijnen. Ze heeft terug gemaild. Stress slaat me om het hart. Ik durf het bericht niet te openen. Mijn elfjarige dochter pakt de computer, opent de mail en leest hem voor. 

Hallo Steph,

Zowel mijn moeder, zus en ikzelf hebben jouw mail gelezen. Wij wensen echter geen contactname en hopen dat u dit zal respecteren.

Met vriendelijke groet, XX

76664766_xl-kopie-604x270.jpg

Mijn hart breekt doch probeer ik me sterk te houden. Ik zie in de ogen van mijn kinderen en manlief dat ze beseffen dat ik net afgewezen werd, maar begrijpen doen ze het niet. Ze komen rond me staan om de net ingeslagen krater met hun liefde te kunnen opvullen. Ik wuif hun bezorgdheden weg, zeg dat het me niet veel doet omdat ik toch nog een plan B heb klaar staan. 

Die avond leg ik mijn kinderen te slapen. Ik kijk naar mijn dochter en voel de tranen op zwellen. Ze legt haar hand op mijn arm en tracht me met haar blik te troosten. Ik zeg haar dat ik niet droevig wil zijn, maar dat ik het wel ben. Dat het me verdriet doet om zomaar opzij geschoven te worden nog voor ik hen oprecht mijn verhaal en vragen voorleggen kan. Dat ik meer en beter verdien dan de manier waarop ik behandeld wordt. Dat ik er niet aan kan doen dat ik besta – ik had er namelijk geen enkel aandeel in – en me afvraag waarom net de mensen bij wie ik (h)erkenning zoek me precies constant het gevoel geven dat ik er niet mag zijn.

Als een broodje dubbele afwijzing: aan de ene kant heb je mijn niet-biologische familie die me verwierp omdat ik hun bloed en genen niet had, aan de andere heb je mijn biologische familie die niet met mijn bestaan geconfronteerd wil worden. Als een straathond word je keer op keer aan de kant geschopt.

Maar ik ben er en ben het beu om altijd voorzichtig met iedereen rekening te moeten houden terwijl die ander vaak niet bereid is hetzelfde te doen. Tuurlijk had ik mijn vragen rechtstreeks aan mijn potentiële biologische vader willen stellen, maar hij is naar alle waarschijnlijkheid overleden. Ik had hem kunnen kennen, maar ik mocht niet. Meer nog: een hoop mensen hebben ontzettend hun best gedaan om het me (ons) zo moeilijk mogelijk te maken.

Ik heb het recht om te weten waar ik echt vandaan. Me negeren, cuplpabilseren of afwijzen doet me niet verdwijnen.

Groet,
Steph

Lege stoel

Drie jaar lang is Nighthawks van Edward Hopper de bureaubladachtergrond op mijn laptop geweest. Toeval deed me op deze prent botsen en ik besloot om hem tot dagelijkse metgezel te dopen daar dit beeld voor een stuk mijn zoektocht symboliseert.

Nighthawkss-644x429.jpeg

Ik hield het voor ogen omdat het een einddoel omvatte. Door het raam zie je een man met zijn rug naar je toe aan de bar zitten. Ik beeldde me in dat ik ooit op een dag op weg zou zijn naar een locatie van zijn keuze om elkaar voor het eerst in het echt te begroeten. Een omgekeerde evenredigheid zou vastgesteld worden in de hoeveelheid kriebels in de buik en de afstand die steeds kleiner werd.

Nog 1 keer diep ademhalen voor ik in het café binnen wandel. Hij kijkt op en draait zich om, zijn gelaat eindelijk zichtbaar èn in bewegende vorm. Ik zou naast hem plaats nemen en hem het eerste halfuur grondig bestuderen. Alles wat ik fysiek aan die onbekende kant toeschreef zou ik instant vergelijken: ogen, voorhoofd, handen, het putje in de kin van mijn zoon, … Ik vraag me nog steeds af of ik echt herkenning zou gezien of gevoeld hebben. Maar ook hoe het voor hem had geweest om in de nabijheid van een biologische dochter te vertoeven.

Maar het café is en blijft leeg. Niet omdat we in Corona-lockdown zitten, maar omdat hij er niet meer is.

89760353_10222298731839790_4862222400084770816_n.jpgGroet,
Steph

 

Droevige mama 

De afgelopen weken waren ook niet makkelijk voor mijn kinderen. Ze zagen me vroeger al een aantal keren verdrietig, deze week was toch anders. Leven met een open hart – of ik het nu zelf heb opengezet of er een gat werd ingeslagen – doet intens leven en beleven. Ze kennen mijn hoogtes en laagtes. Samen vormen we een geheel en zijn we meer dan enkel de delen samen.

Ze zijn een spiegel, hoe confronterend dit bij momenten kan zijn. Ze leren me zoveel: niet alleen over zich- en mezelf, ze leren me ook wat belangrijk is en wat minder. Het leven gaat niet altijd hoe je het zelf wil. Daar waar geluk is, zit ook verdriet. Verdriet mag er zijn, want dat wil zeggen dat er liefde was ookal kwam het misschien slechts van één kant.

Maar kinderen zouden hun ouders niet hoeven te troosten, omdat de ouders van hun ouder hen met een leegte opzadelde. Ze weten dat het verdriet dat ik in me draag, niet door hen komt. Integendeel, ze zorgen er net voor dat ik het kan kanaliseren, als kraantjes op een emmer gevuld met tranen.

Ze zitten naast me op de rollercoaster van mijn zoektocht. Met zakdoeken en knuffels bij de hand, proberen ze me ook de andere dingen te laten zien die ik misschien uit het oog verlies omdat pijn je nu eenmaal in een holletje doet kruipen. Zo heeft mijn dochter een popje gemaakt dat ik meenemen kan zodat ik niet alleen ben. De keren dat zoonlief over mijn rugje is komen wrijven om me te vertellen dat het niet zo erg is dat hij mogelijks is overleden, kan ik niet meer op mijn vingers tellen.

Ik heb verdriet om wat niet is, nooit is geweest en niet meer kan zijn. Ik rouw, doch is het heden waar ik me aan dien vast te houden. Het is het hier en nu dat telt. Ik heb de kans om mijn kinderen te kennen, voor hen te zorgen, van hen te houden en er voor te zorgen dat we zoveel mogelijk samen kunnen beleven. Want het zijn die momenten die hen troost zullen bieden als ik er zelf niet meer ben.

Groet,
Steph

moer_bg-650x337.jpg

 

Soundtrack van mijn zoektocht – part 10

Muziek was en is een rode draad doorheen al die jaren van zoeken, denken, vinden en voelen. Voor zij die er nood (of troost) aan hebben:

Groet,
Steph

crying-anime-girls-3164.jpg

Doodgeboren vader 

Ik had mezelf voorgenomen dat als ik mijn biologische vader uiteindelijk zou vinden ik mijn collega’s zou trakteren. Dat en confetti. Er liggen al jaren een aantal confetti-schieters klaar om gelanceerd te worden mocht ik eindelijk die fundamentele vraag over mezelf kunnen beantwoorden. 

Maar dit voelt niet aan als een feest. Integendeel. Het lijkt een geboorte en begrafenis tegelijkertijd. Als een koffietafel met suikerbonen of beschuiten. Het is koesteren maar ook meteen afscheid moeten nemen. Als een doodgeboren kind maar dan in omgekeerde richting: een doodgeboren ouder. Zo lang en zo hard naar verlangd. Ik zocht met als doel om hem te kunnen ontmoeten, begroeten, bekijken, bevragen, … Niets van dit alles valt mij of hem te beurt. Hij is er niet meer en zal nooit meer zijn. Man, wat wou ik dat er een teletijdmachine of de spaceraket van Kommil Foo echt bestond. 
 
Wist hij dat ik bestond? Heeft hij zich ooit iets afgevraagd? Had hij het willen weten? Lijken we op elkaar? Had hij me graag willen ontmoeten? Hoe heeft hij zijn laatste levensjaar beleefd? Was hij alleen toen hij stierf? Aan wat is hij gestorven want sterven doe je namelijk niet op zulke jonge leeftijd. 
 

Het is vreemd rouwgevoelens te ervaren voor iemand die ik niet heb gekend of waar ik 100% zeker van ben dat hij het echt is. Maar er is niemand anders in de boom die het kan zijn. Dit is iets meer dan een vermoeden of een wilde gok. Het is DNA die me de weg heeft gewezen.

Door mijn research weet ik dat hij een zus heeft. Zijn ouders zijn helaas al overleden. Er zit niets anders op dan contact met haar te zoeken in de hoop dat ze openstaat om te helpen in het finaal kunnen weten en niet langer te gissen.

Ik ben bang voor de volgende stap, bang voor de deur in het gezicht, bang voor de blinde vlek, de woekering in hart en hoofd, … Als donorkind ben je getraind het slechtste te denken of te verwachten. Het is jezelf beschermen, als het op voorhand in je huid krassen zodat het dikker wordt en een volgende weerslag beter geïncasseerd wordt. Wat je niet doorhebt is dat de zelf aangemeten eetlaag een arsenaal aan interne blauwe plekken toedekt. Misschien onzichtbaar voor het oog, des te harder voelbaar van binnenuit.

Ik duw het nog even voor me uit. 

Groet,
Steph 

1*lzamQ9Id-C6HD5MbzppfgQ.jpeg

Van 2 takken naar 1 straat 

Ik zoek me plat naar de zoon van mijn vermoedelijke biologische grootvader. Zij die mijn vorige blog lazen, merkten op dat hij niet op de doodsbrief van zijn moeder vermeld stond. Veel aanknopingspunten heb ik dus niet.
Ik google zijn naam. De search leidt me naar verschillende mannen met dezelfde naam. De online ‘Wie is het?’-versie kan beginnen. Ondertussen ook horendol van het zoeken naar foto’s van onbekenden waar ik mezelf, of mijn broers als halfzus in herken. Ik heb er al zo vaak naast gezeten dat ik mijn intuitie niet meer durf te vertrouwen. Enkel zwart op wit-bewijs zal uitsluitsel kunnen brengen.

Ik stoot op een man met zijn naam op Facebook. Geboren in het buitenland maar nu wonende in Brussel. Ik vind een foto welke me aantoont dat het gaat om de zoon van de man beschreven in het boek van de journalist die ik contacteerde. Hij moet het zijn.

Ik kijk naar zijn profielfoto. De goden kunnen me niet harder uitlachen: het is een foto van iemand die zijn handen voor zijn gezicht houdt. Really? Moet het zo? Ik moet het doen met de vorm van de handen en de neus die ik door zijn handen kan ontwarren.

Zijn er neusale gelijkenissen? Met de mijne alleszins niet. Misschien met die van mijn halfbroer, als je je ogen half dichtknijpt. Ik stuur hem een facebook-vriendschapsverzoek en een berichtje. Ik wacht, maar geen antwoord noch een vol vinkje verschijnt onder de eerste woorden die ik aan hem richt.

Omdat een hardware-iaanse blokkade me niet tegenhouden kan, google ik me te pleuris. Ik stoot op een artikel waarin een man met zijn naam aan het woord komt. Het gaat om een protest dat hij startte nav de afbraak van een huis in de buurt. Zou dit de straat zijn waar hij woont?

Google-maps is slechts één click verwijderd. Digitaal wandel ik door ‘zijn vermoedelijke straat’. Door de ramen zoek ik naar een glimp van hem. Misschien zet hij net het vuilnis buiten? Ookal is hij dan misschien geblurred, nog nooit was ik zo dichtbij.

Ik vraag aan mijn ventje of hij misschien deze zondag met mij richting Brussel wil tenen om er deurbellen aandachtig te bestuderen. Bel ik aan? Misschien moet ik een briefje maken à la ‘gezocht: mijn kat’ maar dan ‘gezocht: mijn vader’. Ik blijf het debiel vinden dat ik het internet en straten afschuimen moet omdat ik zogezegd niet het recht heb om te weten waar ik vandaan kom.

Schermafbeelding 2020-03-19 om 19.24.35.png
In aanloop van de father-sightseeing citytrip zend ik wat berichtjes uit naar mensen op facebook waar ik van vermoedde dat ze hem in het echte leven kennen. Eén iemand reageerde op mijn berichtje en we bellen.

Ik licht hem toe waarom ik op zoek ben naar iemand die hij kent. Hij vertelt me dat hij zich wat ongemakkelijk voelt om te vertellen over een oude vriend aan een onbekende. Ik snap hem ergens ook, ookal weet ik van mezelf dat mijn intenties echt oprecht zijn.

En dan zegt hij mij het volgende: ‘ik vind het jammer u dit te moeten zeggen, maar hij is een tijdje geleden overleden’.
Mijn bloed trekt weg richting hart om de net plaatsgevonden scheur te bepleisteren. ‘Overleden zegt u?’ hoor ik mezelf zeggen. ‘Dat is jammer, niet alleen voor hem zelf en de mensen die hem gekend hebben’ terwijl ik tevens denk ‘maar ook heel jammer voor diegenen die hem graag hadden gekend’.

‘Mocht u zijn biologische dochter blijken te zijn, dan wil ik u gerust wel een keertje ontmoeten om over hem vertellen’ sloot hij het gesprek af. Een soelaas voor iemand die hem zo graag ontmoet had, als broodkruimels die van tafel vallen.

Groet,
Steph

Rouwverlof

Afgelopen week was weer een heftige week. Ik verloor namelijk wat ik dacht in hoofd en hart erbij gewonnen te hebben.

Een maand geleden werd het vermoeden van een nieuwe halfbroer aangewakkerd. Toen manlief en dochter krak dezelfde gelijkenissen zagen, was ik er echt van overtuigd weer een stukje gevonden te hebben. Ik weet het: de puzzel is groot, maar elk stukje ik gelegd krijg schetst het geheel waar ik zo naar verlang. ‘t Is keer op keer trachten te v(erb)inden wat uit- of doorgeknipt werd.

Ik zocht contact en gaf hem tijd als ruimte om voor zichzelf te beslissen het antwoord te willen weten. Je moet daar namelijk met twee voor zijn. Zonder dat ik het wist had hij na ons eerste gesprek een DNA test besteld. Wat hij dan weer niet wist is dat ik hem de afgelopen weken een zekere genegenheid ben beginnen toeschrijven. Het is vreemd maar als je iets van je zelf of van een dierbare in een ander herkent, zet dat op één of andere manier een kamer in je hart voor een (on)bekende open.

Deze week was het resultaat gekend: hij en ik zijn niet aan elkaar verwant. Wat ik dacht erbij te hebben, voelde als een oprecht verlies aan. Ik wou naar huis, me op de bank in een dons oprollen en de rolluiken van het leven tijdelijk laten zakken.

Op het werk raadpleegde ik het arbeidsreglement en zag dat er enkel rouwverlof bij verlies van juridische 1e, 2e en 3e graad (schoon)familie toegekend wordt. Donorkinderen horen over hun andere familieleden maar te rouwen in eigen tijd. Nochtans is dat verlies en verdriet even reëel als het andere.

Daarom pleit ik bij deze om voor ons een bijkomend officieel rouwverlof beschikbaar te maken als volgende gevallen zich voordoen:

  • Als je ontdekt dat over je echte afkomst werd gelogen
  • Als de schaal aan leugens en medeplichtigen zichtbaar worden
  • Als blijkt dat je broer of zus slechts half aan jou verwant is
  • Als je vaststelt dat je onbekende bio ouder of andere verwanten gestorven blijken te zijn
  • Als je denkt familie te hebben gevonden, maar het niet zo blijkt te zijn
  • Als je contact zoekt maar afgewezen, doodgezwegen of genegeerd wordt
  • Als iemand bewust je relatie met een naverwante probeert te saboteren
  • Als anderen jouw belangen en welzijn (blijven) onderschikken

Maar voor nu rouw ik enkel tijdens werkpauzes, na de uren of in het weekend.

Groet,
Steph (Ze huilt maar ze lacht, Maan)

Interview HUMO: the uncut (aka unfuck*d) version

Voor zij die de HUMO afgelopen week opensloegen, merkte mogelijks een kort interview met me op. Zelf had ik het nog niet kunnen lezen, wegens even andere prioriteiten (iets met Genève, UN, kinderrechten, ..). Toen ik gisterenavond landde en manlief terug zag, trachtte hij me voorzichtig te waarschuwen dat de gepubliceerde versie mogelijks enige frustratie bij me opwekken kon.

Nu ik het blad zelf in handen heb, kan ik niet ontkennen dat de eindredactie van de HUMO er keihard in gesnoeid heeft.  De journaliste zelf verwijt ik niets: het was echt een tof interview waaruit ze een correcte weerspiegeling in woorden, toon en inhoud had gedestilleerd.

4vrm5t4hk2p21.jpg

Aan diegene die besloot het artikel zodanig te verminken: bij deze gaat de volgende metaforische primeurkelk aan jullie voorbij.  En voor de geïnteresseerden: hieronder kan je de juiste versie van het interview terugvinden.

Groet,
Steph

Het ambtetantse donorkind van België, zo noemt Steph Raeymaekers zichzelf. Ze voert al enkele jaren een dubbele strijd: ze zoekt verbeten naar haar biologische vader, de man die ergens vóór mei ‘78 zijn kwakje dropte in een spermabank, en intussen vecht ze al even verbeten voor de rechten van alle donorkinderen. Straks, op 20 november, voert haar strijd haar naar Genève, waar ze, naar aanleiding van de 30ste verjaardag van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, bij de VN zal pleiten voor meer rechten voor haar soort.

Dat klinkt cru, jouw soort. Voelt het dan alsof je tot een andere soort behoort?
STEPH RAEYMAEKERS «Ja. Wij hebben bepaalde mensenrechten niet die een ander wel heeft. Het recht op medische informatie, het recht op afkomst, het recht op familie… Dat maakt ons minderwaardig als mens. Om onze eis bij de VN kracht bij te zetten, zal iemand uit onze groep zijn geboortecertificaat voor de ogen van de aanwezigen verscheuren. Voor ons is dat geboortecertificaat een frauduleus document, dat eerder als eigendomsbewijs voor ouders dient dan de echte waarheid over het kind schetst.

»Ik weet dat de term ‘soort’ cru klinkt, maar ik benoem de dingen graag zoals ze zijn. Ik heb het ook over mijn ‘opvoedvader’ en mijn ‘100 procent-broer’. Ik heb het gehad met de termen die fertiliteitscentra ons opleggen. Ze praten over ‘de donor’, ‘behandeling’ en laten contracten ondertekenen.  Het belichaamt een kille transactie. Maar een transactie doe je met producten, niet met een mens.

»Ik maak deel uit van een drieling. Mijn broer, zus en ik zijn ooit verwekt met donorzaad. De arts van mijn ouders, Robert Schoysman, runde een privé-fertiliteitskliniek in het Brusselse. 8 jaar hadden ze geprobeerd  zwanger te worden, toen ze bij hem aanklopten. Dokter Schoysman zei hen dat het zo pover gesteld was met de zwemmers van mijn opvoedvader, dat hij onmogelijk een kind kon verwekken. Omdat in onze samenleving de kinderwens boven alles primeert, zou Schoysman dat wel even fiksen: hij insemineerde mijn moeder met donorzaad.»

Niet zomaar donorzaad: het was een cocktail van verschillende donoren.
RAEYMAEKERS «Dat zijn we pas veel later te weten gekomen. Op het feestje voor onze 25ste verjaardag heeft mijn broer ons verteld dat we donorkinderen zijn. Hij was het te weten gekomen omdat een tante zich had versproken. Ik neem die tante niks kwalijk. Integendeel, ik ben haar dankbaar. Opeens had ik een verklaring voor de onrust die al jaren in mij woedde. Waarom had ik zo’n slechte band met mijn opvoedvader? Dat ik geen spat DNA met hem deel, deed puzzelstukken in mekaar passen.

»Pas een jaar of 4 geleden heb ik besloten het mysterie van onze afkomst te ontrafelen. Mijn broer, zus en ik hebben ons DNA laten testen. Ook mijn moeder stemde toe haar DNA te laten onderzoeken. Ik wilde zekerheid. Als je op je 25ste te weten komt dat de man die je altijd papa hebt genoemd, niet je vader is, vertrouw je niets of niemand meer. Mijn moeder bleek wel degelijk mijn moeder, maar mijn zus bleek niet dezelfde vader te hebben als mijn broer en ik. Dat was opnieuw schrikken. Schoysman heeft, zonder dat mijn moeder op de hoogte was, haar geïnsemineerd met het zaad van minstens twee donoren.»

Heeft dat alles de relatie met je moeder verzuurd?
RAEYMAEKERS «Nee. De relatie met mijn opvoedvader is wel verzuurd – we zien elkaar al een tijd niet meer. In het begin hebben mijn moeder en ik wel heftige gesprekken gevoerd, maar ze heeft mijn zus en mij altijd gesteund in onze zoektocht naar onze vaders. Mijn broer heeft beslist niet op zoek gegaan, maar dat neemt niet weg dat ook in hem een onrust woedt. Hij is dan misschien niet de DNA-databanken aan het doorploegen zoals mijn zus en ik, maar hij , gaat vaak op buitenlandse mindfulness-retraite. Ook hij is aan een zoektocht bezig.»

Jullie hebben ook nog een jongere broer.
RAEYMAEKERS «Hij is, 3 jaar na ons, op natuurlijke wijze verwekt. Zoveel bleek er dus niet mis te zijn met de zwemmers van mijn opvoedvader. Sindsdien ga ik niet meer af op wat een arts zegt. Toen het nieuws kwam dat wij met z’n drieën donorkinderen zijn, is mijn broertje huilend naar het toilet gelopen. ‘Ik ben je broer niet meer,’ zei hij. Toen begreep ik dat gevoel niet. Nu wel: toen bleek dat mijn zus niet dezelfde donor deelde als mijn broer en ik, voelde ik me ook vervreemd. Opeens moesten mijn zus en ik elk op zoek naar een andere vader.»

In 2017 stond je mee aan de wieg van Donor Detectives, waar kinderen van donoren, draagmoeders en adopties terecht kunnen voor hulp bij het doorsnuffelen van DNA-databanken. Dat leverde al tal van matches op, ook voor jou en je zus.
RAEYMAEKERS «Ik heb 2 jaar geleden een halfbroer gevonden. Ik check geregeld mijn account. De mensen met wie je DNA deelt, staan er gerangschikt van grootste naar kleinste match. Mijn zus had altijd op de hoogste plaats gestaan, tot ik op een dag mijn account refreshte en er een onbekende man bovenaan floepte: mijn halfbroer. We schelen amper 12 dagen. We vermoeden dus dat we uit hetzelfde kwakje komen. Toen we elkaar de eerste keer ontmoetten, was er geen instant herkenning – mijn halfbroer ziet er totaal anders uit, met ros haar en blauwe ogen – maar er was wel meteen een gevoel van genegenheid.»

Vieren jullie nu samen kerst?
RAEYMAEKERS «Nee, maar volgende week gaan we wel samen met onze gezinnen paintballen (lacht).

»Een paar maanden terug had ik opnieuw prijs: ik vond een halfzus. We hebben elkaar ook al ontmoet, maar bij haar ligt de situatie moeilijker. Buiten haar ouders, zus en man is niemand op de hoogte dat ze een donorkind is. Maar we nemen onze tijd. Nu we weten dat we verwant zijn, hoeven we ons niet te haasten. Ik weet niet met hoeveel broers en zussen ik zal eindigen. In Nederland zijn de Karbaat-kinderen intussen met 75. Het maakt ook niet uit: mijn stamboom is nu al een onoverzichtelijk kluwen, met uitklapbare zijtakken. Die van John Snow uit ‘Game of Thrones’ is er niks bij (lacht).»

Karbaat gebruikte zijn eigen zaad om vrouwen te bevruchten. Bestaat de kans dat de arts van je moeder hetzelfde deed?
RAEYMAEKERS «Ja, maar ik kan het niet achterhalen. Hij is er niet meer en al zijn medische dossiers heeft hij verbrand. Ik heb zijn dochter om een DNA-staal gevraagd, maar haar antwoord was kort: no way.»

Het zal ongetwijfeld een opluchting zijn als je ooit je vader vindt. Maar zal het ook het einde van je onrust betekenen?
RAEYMAEKERS (stellig) «Ja. Dan moet ik me eindelijk niet meer afvragen waar ik vandaan kom. Nu screen ik elke kamer die ik binnenkom: zou mijn vader ertussen zitten? Aan elke man die in de juiste leeftijdscategorie zit, vraag ik of hij ooit zaad heeft gedoneerd. Vind ik dat er fysieke gelijkenissen zijn, dan vraag ik op de man af of ze hun DNA willen laten testen. Alles om hem te vinden. Het zou me niks verbazen als mijn vader straks een detective of journalist blijkt te zijn (lacht).

»Ik weet dat er ook een keerzijde is. Ik heb gezien wat het met mijn zus deed, toen zij haar vader vond. Het bracht ook verdriet. Haar vader is een Nederlander, die ooit één jaar in Brussel heeft gestudeerd. In die tijd vroegen proffen vaak aan hun studenten om zaad te doneren. Ze kwamen ermee op een goed blaadje te staan bij de prof, die hen vertelde dat ze met hun zaad iemand gelukkig konden maken. Soms kregen ze er zelfs een boekenbon voor.»

We hebben er vandaag veel meer voor over om een kind te krijgen. Het is big business.
RAEYMAEKERS «Mijn ouders hebben destijds 50.000 frank betaald voor ons. Tegenwoordig organiseren ze zelfs dure reizen om, pakweg in een kliniek op Cyprus, een kind te gaan construeren uit een gekochte zaad- en eicel. Het doneren van je zaad- of eicellen schuift dan ook veel geld. Dat zorgt ervoor dat we in een absurde situatie zijn beland: het is vandaag makkelijker een kind te kopen of te verkopen, dan om je eigen familie te kennen.

»Er wordt altijd geschermd met de kinderwens. Ergens snap ik die wens ook wel, maar ik geloof niet meer in het riedeltje: ‘Ik verlangde zo hard naar een kind dat ik geen andere keuze had.’ Natuurlijk heb je een keuze. Waarom zou iedereen het recht moeten hebben op een kind? We hebben toch ook niet allemaal het recht op een lief? We zijn systematisch opgeschoven van wens naar recht, en het aantal groepen dat zich beroept op dat recht, is alleen maar groter geworden: onvruchtbare koppels, lesbiennes, homo’s, alleenstaande vrouwen, tot nu ook alleenstaande mannen met een diepe kinderwens. Maar wanneer gaan we het eindelijk eens over de rechten van die kinderen hebben? Ik snap niet dat we vandaag constructies faciliteren die kinderen fundamenteel verwondt.. Je ontzegt kinderen hun broers en zussen, de helft van hun stamboom… Donorkinderen kunnen in een heel liefdevol nest zijn opgegroeid, mét de wetenschap dat ze het kind zijn van een donor, maar toch met een gapend gat rondlopen. Een vriend van mij omschrijft het zo: ze hebben onze achteruitkijkspiegel eraf geklopt. Ik kan vooruit kijken, maar niet achterom.»

Credit to journaliste Hanne Van Tendeloo.

Computer says no(t related)

Nog nooit was ik zo ver uit mijn goal gekomen. Never ever had ik gedacht zo dicht tegen mijn onbekende familie te zitten. Voor wie mijn zoektocht een beetje volgt, weet dat ik vorige zomer via een toevallige vondst door mijn zus op LinkedIn op een man ben gebotst die toch wel wat fysieke gelijkenissen met zowel mijn volle broer als halfbroer vertoont.

Voor donorkinderen die vandaag willen weten zijn er maar twee mogelijkheden: ofwel zoeken via DNA of zoeken naar mensen die op je lijken. Die laatste dien je dan nog wel met een DNA test te verifiëren want het kan ook zijn dat die fysieke gelijkenissen louter op toeval berusten. Om het toeval wat uit te sluiten zocht ik naar foto’s van andere familieleden om na te gaan of daar ook gemeenschappelijke fysieke kenmerken konden vastgesteld worden. Na wat zoekwerk van een vriend (Max De Bie, hier is je eervolle vermelding 😉 ) vond ik foto’s van onder meer zijn vader als zijn neven. Ik kan je alleen maar meegeven dat de aanblik ervan niet alleen mij maar ook anderen kippenvel bezorgde. Nog nooit heb ik me zo kunnen weerspiegelen in mensen die ik nooit heb gekend.

Het zou even duren voor ik contact durfde te leggen. Maar uiteindelijk sprong ik, want wat had ik te verliezen? Yep, niets. Ik verzond een bericht en niet veel later werd er heen- en weer gemaild. Uiteraard was mijn eerste vraag: hebt u ooit sperma gedoneerd? Kwestie van meteen met de deur in huis te vallen. Hij kon mijn directheid appreciëren, maar moest me teleurstellen daar hij nooit gedoneerd had.

Hij vond het jammer dat hij me de antwoorden waar ik zo naar op zoek was niet geven kon. Ik legde uit dat hij me wel verder kon helpen door een test bij een DNA databank te overwegen. Want ook al was hij niet mijn biologische vader, mijn roots konden in zijn familie liggen. Ik weet het, het was een wilde gok maar het was er één die ik moest wagen. Want verder in dubio leven helpt niemand vooruit doch geef ik toe dat de finale antwoorden me ergens angst ook inboezemen. Onwetendheid biedt je op een verknipte manier ook veiligheid omdat je er al zo lang in vertoeft. Maar fuck it, we gaan voor the truth and nothing but the truth.

Ik zond hem een DNA test welke haast meteen met het nodige wangslijm richting databank vertrok. Het leuke aan de databank is dat je het traject van je test kan volgen: van toekomen, tot het doorlopen van alle stappen en het uiteindelijke resultaat. De test is daar 11 september gearriveerd. Vandaag ken ik de uitslag. Ik kan niet ontkennen dat ik met bepaalde verwachtingen uitkeek naar het moment dat we in elkaars matches verschijnen zouden.

07c09564126487520dced287468562be--mom-and-me-ugly-duckling.jpg

Maar tot mijn grote spijt zegt het resultaat dat we totaal niet aan elkaar verwant zijn. Zelfs niet in de verste verte wat de hoop om mijn afkomst daar te vinden doet smelten als sneeuw in de zon. We delen zelfs geen verre achter-achter-achter-achter neef of nicht met elkaar. Wat had ik hen graag in mijn boom kunnen hangen. Maar het is wat het is, doch regent het vanbinnen wel een beetje. Voor donorkinderen liggen hoop en teleurstelling vaak dicht tegen elkaar. Als het peper en zout vaatje dat standaard naast ons bord werd gezet. Zout voor de wonden, en wat peper als je een opflakkering in mogelijk vinden ervaart. Het is absurd dat zovelen van ons dezelfde eenzame lijdensweg voorgeschoteld krijgen.

Bij deze ga ik terug naar ‘Start’ op het grote kennis-Monopoly spel van de industrie zonder iets te ontvangen. Met de dobbelstenen in de hand blijf ik echter hopen dat de kaarten ooit in mijn voordeel zullen vallen.

Met een ‘toch wel wat hard aan het balen’-groet,
Steph

Schermafbeelding 2019-10-02 om 07.40.07.png