Brief aan mijn opvoedvader

Vorige zomer stak mijn zus een brief in de bus van onze opvoedvader. Heel wat was namelijk onuitgesproken gebleven toen hij nu een 14 jaar geleden besloot om ons systematisch uit zijn leven weg te gommen.

Phie’s brief was eerlijk en oprecht. Niet dat ze verwachtte dat hij de moeite zou nemen om haar erna te contacteren. Hij hulde haar, zoals hij dat vaak had gedaan, in een stille verloochening. Niet veel later had Phie een nachtmerrie. Ze droomde dat hij dit jaar nog zou sterven.

Geen van ons allen is een eeuwig leven geschonken. Ooit zal hij ook komen te gaan. Ikzelf heb hem al jaren niet meer gesproken of gezien. De laatste keer dat ik hem zag was toen ik hem voor mijn kinderen vanachter een omheining aanwees. Want hij verloochent niet alleen ons, hij verloochent iedereen die aan ons verbonden is.

Laatst vroeg ik me af of ik hem eigenlijk nog iets te zeggen heb. Iets dat hij weten mag voor hij zijn laatste adem uitblaast. Of neem ik genoegen met de slachtofferrol die hij zichzelf  toekende en laat ik hem – maar ook anderen – in de illusie dat hij een goede vader was?

Voor mezelf heb ik allang beslist niet meer in de leugens of schijn van anderen te willen leven. Ik heb het recht om zaken daadwerkelijk te benoemen. So here goes:

Antwerpen, 10 dec 2019

Beste Walter (want vader noem ik je al lang niet meer),

Hier Steph, die dochter die je om tal van redenen liever niet had gehad. Het laatste dat ik via via van je heb gehoord is toen een student je een drietal jaar geleden voor zijn eindwerk had gecontacteerd om jouw kant in het donorconceptie-verhaal te belichten.

Je had de jongeman vriendelijk bedankt en verteld dat je geen interviews gaf. Je gaf hem ook te kennen dat het je stoort dat ik af en toe in de media verschijn. Naar het schijnt beschouw je mijn queeste om de fundamentele rechten van donorkinderen toegekend te krijgen als een persoonlijke aanval. Vreemd, daar mijn strijd niet om jou draait. Ik tracht er gewoon te zorgen dat volgende generaties niet of minder hard horen te vechten voor zaken die hen toebehoren.

Ik weet nog hoe je ons op een zondag op het internaat in Dilbeek afzette. We waren tieners, toen één van de andere internen ons in de gang kruiste. Géraldine was haar naam. Tot op vandaag ben ik haar naam niet vergeten. Ze was het standaard meisje dat daar schoolliep: een klassieke schoonheid. Eentje met opgestoken haar, een gedistingeerde wandel en parels in de oren. Je mijmerde iets van: “Waarom lijken jullie niet op haar?”.

Op dat moment wist ik nog niet precies wat je bedoelde. Achteraf besefte ik dat je alludeerde op de teleurstelling die je had ondervonden omdat je kinderen moest grootbrengen die niet echt de jouwe waren. Het was je vrouw die je emotioneel ertoe had gedwongen, als de arts die je had meegedeeld dat je zogezegd onvruchtbaar was.

De rode draad door ons bestaan was je herhaaldelijke kennisgave dat je liever geen kinderen had gehad. Karma leek dan ook een gigantische bitch toen je vrouw van een drieling zwanger werd.

Verschillende keren vertelde je ons dat je ons enkel als baby wel schattig vond. Maar dat vanaf het moment dat we lopen konden, je ons liever niet meer in huis had. Dat was lang voor de tijd dat we wisten dat we donorkinderen waren. Nog zuurder werd de appel toen je vrouw twee jaar later spontaan van je eigen biologische zoon zwanger werd.

Misschien is het tot hier dat ik de wendingen in ons verhaal begrijpen kan. Ik kan zelfs enige empathie opbrengen om hetgeen het met jou moet gedaan hebben toen je besefte dat je vrouw en een ‘gerenommeerde’ arts je geheel onterecht in onomkeerbaar parcours geduwd hadden. Maar dit gegeven zal nooit kunnen rechtvaardigen hoe je ons behandeld hebt en bleef behandelden.

Als ik je herinner als ‘vader’ dan herinner ik je me vooral als iemand die zich maar al te graag in een slachtofferrol wentelde. Je werd altijd gedwongen of zat vast in een leven dat je niet wou. Alle excuses waren goed genoeg om je verantwoordelijkheden niet ten volle te moeten opnemen. Doch was je één van de volwassen die ik bij aanvang in mijn leven het liefste dichtbij me had, zelfs met al je imperfecties.

Gebeurtenissen die jou voor mij als mens en surrogaatvader definiëren zijn: je afwezigheid en desinteresse ten aanzien van ons. Je stak het op je werk. Ik zie het eerder als vluchten van een leven en gezin dat je niet wou. Maar niet alleen je afwezigheid en afwijzing typeert je. Een gebrek aan ruggengraat is ook iets wat ik aan jou toewijzen kan.

Je liet jarenlang toe dat je vrouw, onze moeder, ons mishandelde. Je zus informeerde je ooit dat het lichaampje van je driejarige biologische zoon bont en blauw zag. Doch nam je geen enkel initiatief om ons te beschermen of veilig(er) te stellen. Meer meldingen van mishandelingen zouden jaar na jaar volgen, maar ook daar deed je niets mee. Kop in het zand en hopen dat je er niet op aangesproken wordt. Indien toch het geval, je zieligste blik boven halen in de hoop aan sympathie te winnen. Negeren en ontkennen is ook een manier van leven, niet?

Af en toe participeerde je zelf in het geweld. Zoals die keer dat je op commando van je vrouw je oudste (wettelijke) zoon bij elkaar sloeg daar in de gang van de garage naar de keuken. Hij was zogezegd te laat thuisgekomen en moest dit aan den lijve ondervinden. Het was die avond dat Marijn, je schoonmoeder, besloot om nooit meer bij ons te logeren.

Of weet je nog die tijd dat je zus je jongste zoon in het gezicht had geslagen? Hij was toen twintig jaar oud. Je zus had hem geslagen omdat hij haar absurde opgelegde regeltjes niet tot in de puntjes had nageleefd. Je moeder was hem achternagelopen om hem te troosten. Toen ze je zus hierover achteraf aansprak moest oma het ook ontgelden. Zes maanden zou ze door haar beide kinderen genegeerd worden. Jij moest ‘meedoen’ want het kon niet dat je zus in de fout was.

Ooit heb ik je gesmeekt om ruimte en gelegenheid te laten aan diegenen die nog tijd met elkaar wilden doorbrengen. Jarenlang heb je je best gedaan om dit voor oma en ons zo moeilijk mogelijk te maken. Oma woonde bij jou en je zus maar werd regelmatig in een rusthuis gedropt als je zus genoeg van haar had. Gelukkig kende ik iemand in het rusthuis die me op de hoogte bracht wanneer ze er zat, zodat ze toch iets van bezoek kreeg.

Tijd samen moest stiekem want het werd door jullie niet toegelaten. De geboortekaartjes van onze kinderen, die aangetekend naar oma werden verzonden, werden onderschept en haar nooit bezorgd. Foto’s van haar achterkleinkinderen werden uit haar kamer meegenomen. We slikten keer op keer. Ik heb oma nooit zoveel weten huilen, niet alleen bij ons maar ook bij de verpleging omdat ze niet begreep waarom haar kinderen haar zo behandelden.

Het was je zus die oma in de laatste week van haar leven wou laten sterven in een versleten pyjama omdat ze aan haar geen geld meer wou spenderen. Weet je dat ik die week pyjama’s voor oma ben gaan kopen zodat ze waardiger heen kon gaan?

Het was jij die besloot ons, de drieling, op haar doodsbrief niet als haar kleinkinderen te vermelden ook al had ze dat zelf wel gewild. Jij belde een paar dagen voor haar begrafenis om te zeggen dat we op de koffietafel niet gewenst waren. En het was jouw nicht die me na de begrafenis van oma terugmailde en me aansprak met het woord ‘bastaard’, want het venijn kruipt ook daar waar het niet gaan kan.

Een paar jaar voor haar heengaan bood ik jou een plek in het leven mijn zoon toen hij nog in mijn buik zat. Je bedankte hiervoor met als repliek: ‘Je denkt toch niet dat ik meer moeite voor hem ga doen, dan ik voor jullie heb gedaan’ en een ‘het hoeft niet voor mij’. Na zijn geboorte of die van mijn dochter liet je na iets van je te laten horen.

Ondertussen weet ik dat mijn kinderen en ik beter af zijn zonder jou, ook al had ik hen graag een fijne grootvader gegund. Mochten ze je ooit willen ontmoeten, weet dat het mogelijk is dat ik ooit op een dag met hen aan de voordeur van mijn ouderlijk huis sta. Het huis dat ze nog nooit bezochten omdat er voor hen als voor mij geen plaats was. Het is dè plek waar al onze foto’s werden weggehaald, lang nog voor enig interview werd gegeven.

Ik herinner me dat je me ooit in een ruzie toeriep: ‘Wacht maar tot als jij kinderen hebt’, ik repliceerde: ‘Slechter als jullie kan ik het toch niet doen’. Profetische woorden daar jij en mijn moeder de maatstaf werden om het vooral anders aan te pakken. En ja, perfect ben ik ook niet, maar hier wel de capaciteit om te reflecteren en trachten zo goed mogelijk voor mijn kinderen te zorgen. Hun bestaan doet het voorrecht te erkennen om in dit leven naast hen te mogen wandelen.

Weet dat ik gelukkig ben, misschien zelfs het gelukkigst dan ik ooit ben geweest. Ik heb nu door dat opgelegde verwachtingen enkel verachtingen van jouw kant zijn geweest. Ik besef des te langer dat het niet aan mij lag, maar aan jouw incompetentie om een goede vader te zijn. Ik hoef mezelf niet meer te verloochenen ook al deed jij dat wel.

Jij bent niet de vader die ik mezelf gegund of toegewenst had. Jij bent dat nooit geweest, ook al voorzag mijn kinderhart een grote plek voor je. Ik verdiende beter en meer. Ons leven had anders kunnen zijn, had je ooit iets meer mens en iets minder van excuus geweest.

Als ik je visualiseer denk ik aan een grijze man, die nog steeds aan diezelfde keukentafel met een fles wijn en sigaret in de hand zich beklaagt over het leven. Aan de overkant je zus die je inlepelt wat je denken, voelen en doen moet. Hier ergens ook opgelucht dat ik daar geen deel meer van uitmaak.

Laten we vooral stellen dat ik blij ben verlost te zijn van het korset waar mijn ziel nooit in paste en nooit in zal passen. En dat door deze brief te schrijven ik een deel van de ballast dat ik al veertig jaar met me meesleur, eindelijk wat uit mijn rugzakje kan halen.

Het gaat je goed en waarschijnlijk tot nooit meer.

Groet,
Steph

STP 2.jpeg

De lege doos van een vader

Mijn ouders zitten al een tijdje in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. Ik denk dat ik 18 of 19 jaar oud was toen ik een advocaat op de stoep van mijn ouderlijk huis vond die er de start van kwam aankondigen.

Het werd een lange strijd. Eentje waarvan ik altijd gevoel dat beide partijen hoopten dat een natuurlijk overlijden aan de andere kant niet alleen de boel versnellen zou, het zou ook enig voordeel opleveren kunnen. Maar niemand ging vroegertijdig dood. En hoe ze beiden halstarrig aan het leven vasthielden, zo hielden ze ook vast aan de spullen die vroeger van hen beiden waren.

Heel wat jaren terug had ik mijn vader verzocht om onze oude jeugdfoto’s en filmpjes aan ons te geven. Dat wou hij niet. Niet omdat hij ze zelf wou, hij hield ze gewoon achter de hand zodat hij bij nakende onderhandelingen deze inzetten kon om andere spullen te kunnen behouden. En zo geschiedde.

Mijn moeder had meer begrip voor mijn vraag en zette ze op haar lijstje van goederen die na de scheiding verdeeld zouden worden. Een kleine maand geleden reed ik naar haar toe om de herinneringen aan mijn jeugd op te halen.

De oogst was groot: 2 dozen vol met fotozakjes, 54 x 8mm filmpjes, de uurwerkjes die we ooit voor onze 1stecommunie hadden gekregen, doopkaarsen, … Als een kind in een snoepwinkel heb ik die dag niets anders gedaan dan in volle verwondering alles te doorbladeren. Er zitten foto’s tussen van ons die ik nog nooit heb gezien. Het is vreemd te beseffen dat deze ooit ergens in huis hebben gelegen, ergens verscholen maar dat ik ze nooit ben tegengekomen. Dat huis is trouwens al lang voor mij geen thuis meer: mijn vader sloot ons letterlijk buiten toen de waarheid van onze afkomst aan het licht kwam.

Grasduinend door het verleden voel ik niet alleen warmte maar ook wat verdriet. Verdriet omdat het lijkt dat mijn ouders alles hadden om gelukkig te zijn en te blijven, maar toch liep het ergens verkeerd en werden we meegesleurd in het slagveld van twee volwassenen.

Ook raar is dat in de dozen niet alleen foto’s van ons zitten, maar ook van vakanties van voor dat wij er überhaupt waren: foto’s van mijn vader toen hij jong was, van zijn zus, mijn vroegere nicht, … Mijn vader heeft niet eens de moeite genomen om ze te bekijken en te triëren voor ze van de zolder naar de autokoffer van mijn moeder ging. Hij hield geen enkele foto van zichzelf, noch van ons moeder of van ons. Alsof je gewoonweg een stuk uit je verleden en leven knipt in een poging iets te doen verdwijnen door het bestaan er van te vermijden.

Op een aantal van de foto’s lijkt hij ooit wel een lieve vader voor ons te zijn geweest. En ergens denk ik dat hij in al zijn onkunde dat ook wel was. Maar niets zal ooit kunnen verantwoorden waarom hij een ontkennende en verwerpende (groot)vader werd.

Groet,
Steph

onzejeugd718.jpeg

Je mag (er) zijn

Er zijn zo van die dagen dat je het liefst even in stilte wil verdwijnen in de hoop ergens veilig te kunnen schuilen. Heel even, op zoek naar de warmte van de armen die je voor jezelf creëerde omdat er vroeger niemand was die ze onvoorwaardelijk in aanbieding had.

Getraind om te incasseren, vergeet ik soms dat niet enkel een harde weerslag iets los kan maken. Een onverwachte blijk van oprechte appreciatie om wie je bent of wat je doet, haalt het schild razendsnel naar beneden en raakt een diep ingegraven verdriet aan.

Voldoen deden we namelijk zelden daar we nooit het kind konden vervangen dat echt gewenst was. Gedoemd om continu te falen geraakten we gehecht aan het gevoel eerder een last dan een zegen te zijn. “Maar je bent toch blij dat je bestaat?” werd het zout op een gapende wonde.

child-inside-tree-growth-rings-559332799-570fdb843df78c3fa22a7e5f.jpg

Heel af en toe, zie ik mezelf s’ nachts als kleine meid nog op het matje van badkamervloer liggen, opgerold onder de grootste handdoek die ik vinden kon omdat ik voor de zoveelste keer in mijn bed had geplatst. Mijn ouders maakte ik allang niet meer wakker omdat ik wist dat ze boos zouden worden ipv de troost te bieden welke ik nodig had of verdiende.

Dat meisje ligt er in nog steeds, alleen heb ik besloten haar in gedachten liefdevol de badkamer uit te halen, haar gerust te stellen en zonder enig verwijt in verse en propere lakentjes te slapen te leggen. Of we het nu willen of niet, eenieder van ons draagt het kleine meisje of jongen dat we ooit waren in èn met zich mee. Diep van binnen hebben we allemaal holtes van hetgeen dat werd gemist.

Gezien of graag gezien worden om wie je bent, niet om wat anderen van je verwachten of wens(t)en te maken, doet en voelt nog steeds vreemd aan. Maar in wezen heb je nooit gefaald. Dat heb je nooit gedaan. Het waren de anderen die je daadwerkelijk te kort zijn geschoten: de mensen die kost wat kost een ‘eigen’ kind wilden, de man die zijn biologisch kind(eren) weggaf en de arts die de transactie mogelijk maakte.

Ja, ik betaal hiervoor een grote prijs. Maar het weerhield me en mijn zus niet om met het hart in de hand en uitgestrekte armen het leven en relaties tegemoet te lopen. We doen het toch maar ff en dit met een kracht die van binnenuit komt.

We zijn misschien dan niet geworden wat anderen nodig hadden om hun illusie te verzachten – en ja, dat oud verdriet zal altijd een eeuwige metgezel blijven – doch ben ik desondanks alles blij met wie ik ben daar ik heb geleerd om niet alleen mijn dierbaren maar eindelijk ook mezelf te koesteren.

Groet,
Steph

hug-yourself-400x400.jpg