Brief aan mijn opvoedvader

Vorige zomer stak mijn zus een brief in de bus van onze opvoedvader. Heel wat was namelijk onuitgesproken gebleven toen hij nu een 14 jaar geleden besloot om ons systematisch uit zijn leven weg te gommen.

Phie’s brief was eerlijk en oprecht. Niet dat ze verwachtte dat hij de moeite zou nemen om haar erna te contacteren. Hij hulde haar, zoals hij dat vaak had gedaan, in een stille verloochening. Niet veel later had Phie een nachtmerrie. Ze droomde dat hij dit jaar nog zou sterven.

Geen van ons allen is een eeuwig leven geschonken. Ooit zal hij ook komen te gaan. Ikzelf heb hem al jaren niet meer gesproken of gezien. De laatste keer dat ik hem zag was toen ik hem voor mijn kinderen vanachter een omheining aanwees. Want hij verloochent niet alleen ons, hij verloochent iedereen die aan ons verbonden is.

Laatst vroeg ik me af of ik hem eigenlijk nog iets te zeggen heb. Iets dat hij weten mag voor hij zijn laatste adem uitblaast. Of neem ik genoegen met de slachtofferrol die hij zichzelf  toekende en laat ik hem – maar ook anderen – in de illusie dat hij een goede vader was?

Voor mezelf heb ik allang beslist niet meer in de leugens of schijn van anderen te willen leven. Ik heb het recht om zaken daadwerkelijk te benoemen. So here goes:

Antwerpen, 10 dec 2019

Beste Walter (want vader noem ik je al lang niet meer),

Hier Steph, die dochter die je om tal van redenen liever niet had gehad. Het laatste dat ik via via van je heb gehoord is toen een student je een drietal jaar geleden voor zijn eindwerk had gecontacteerd om jouw kant in het donorconceptie-verhaal te belichten.

Je had de jongeman vriendelijk bedankt en verteld dat je geen interviews gaf. Je gaf hem ook te kennen dat het je stoort dat ik af en toe in de media verschijn. Naar het schijnt beschouw je mijn queeste om de fundamentele rechten van donorkinderen toegekend te krijgen als een persoonlijke aanval. Vreemd, daar mijn strijd niet om jou draait. Ik tracht er gewoon te zorgen dat volgende generaties niet of minder hard horen te vechten voor zaken die hen toebehoren.

Ik weet nog hoe je ons op een zondag op het internaat in Dilbeek afzette. We waren tieners, toen één van de andere internen ons in de gang kruiste. Géraldine was haar naam. Tot op vandaag ben ik haar naam niet vergeten. Ze was het standaard meisje dat daar schoolliep: een klassieke schoonheid. Eentje met opgestoken haar, een gedistingeerde wandel en parels in de oren. Je mijmerde iets van: “Waarom lijken jullie niet op haar?”.

Op dat moment wist ik nog niet precies wat je bedoelde. Achteraf besefte ik dat je alludeerde op de teleurstelling die je had ondervonden omdat je kinderen moest grootbrengen die niet echt de jouwe waren. Het was je vrouw die je emotioneel ertoe had gedwongen, als de arts die je had meegedeeld dat je zogezegd onvruchtbaar was.

De rode draad door ons bestaan was je herhaaldelijke kennisgave dat je liever geen kinderen had gehad. Karma leek dan ook een gigantische bitch toen je vrouw van een drieling zwanger werd.

Verschillende keren vertelde je ons dat je ons enkel als baby wel schattig vond. Maar dat vanaf het moment dat we lopen konden, je ons liever niet meer in huis had. Dat was lang voor de tijd dat we wisten dat we donorkinderen waren. Nog zuurder werd de appel toen je vrouw twee jaar later spontaan van je eigen biologische zoon zwanger werd.

Misschien is het tot hier dat ik de wendingen in ons verhaal begrijpen kan. Ik kan zelfs enige empathie opbrengen om hetgeen het met jou moet gedaan hebben toen je besefte dat je vrouw en een ‘gerenommeerde’ arts je geheel onterecht in onomkeerbaar parcours geduwd hadden. Maar dit gegeven zal nooit kunnen rechtvaardigen hoe je ons behandeld hebt en bleef behandelden.

Als ik je herinner als ‘vader’ dan herinner ik je me vooral als iemand die zich maar al te graag in een slachtofferrol wentelde. Je werd altijd gedwongen of zat vast in een leven dat je niet wou. Alle excuses waren goed genoeg om je verantwoordelijkheden niet ten volle te moeten opnemen. Doch was je één van de volwassen die ik bij aanvang in mijn leven het liefste dichtbij me had, zelfs met al je imperfecties.

Gebeurtenissen die jou voor mij als mens en surrogaatvader definiëren zijn: je afwezigheid en desinteresse ten aanzien van ons. Je stak het op je werk. Ik zie het eerder als vluchten van een leven en gezin dat je niet wou. Maar niet alleen je afwezigheid en afwijzing typeert je. Een gebrek aan ruggengraat is ook iets wat ik aan jou toewijzen kan.

Je liet jarenlang toe dat je vrouw, onze moeder, ons mishandelde. Je zus informeerde je ooit dat het lichaampje van je driejarige biologische zoon bont en blauw zag. Doch nam je geen enkel initiatief om ons te beschermen of veilig(er) te stellen. Meer meldingen van mishandelingen zouden jaar na jaar volgen, maar ook daar deed je niets mee. Kop in het zand en hopen dat je er niet op aangesproken wordt. Indien toch het geval, je zieligste blik boven halen in de hoop aan sympathie te winnen. Negeren en ontkennen is ook een manier van leven, niet?

Af en toe participeerde je zelf in het geweld. Zoals die keer dat je op commando van je vrouw je oudste (wettelijke) zoon bij elkaar sloeg daar in de gang van de garage naar de keuken. Hij was zogezegd te laat thuisgekomen en moest dit aan den lijve ondervinden. Het was die avond dat Marijn, je schoonmoeder, besloot om nooit meer bij ons te logeren.

Of weet je nog die tijd dat je zus je jongste zoon in het gezicht had geslagen? Hij was toen twintig jaar oud. Je zus had hem geslagen omdat hij haar absurde opgelegde regeltjes niet tot in de puntjes had nageleefd. Je moeder was hem achternagelopen om hem te troosten. Toen ze je zus hierover achteraf aansprak moest oma het ook ontgelden. Zes maanden zou ze door haar beide kinderen genegeerd worden. Jij moest ‘meedoen’ want het kon niet dat je zus in de fout was.

Ooit heb ik je gesmeekt om ruimte en gelegenheid te laten aan diegenen die nog tijd met elkaar wilden doorbrengen. Jarenlang heb je je best gedaan om dit voor oma en ons zo moeilijk mogelijk te maken. Oma woonde bij jou en je zus maar werd regelmatig in een rusthuis gedropt als je zus genoeg van haar had. Gelukkig kende ik iemand in het rusthuis die me op de hoogte bracht wanneer ze er zat, zodat ze toch iets van bezoek kreeg.

Tijd samen moest stiekem want het werd door jullie niet toegelaten. De geboortekaartjes van onze kinderen, die aangetekend naar oma werden verzonden, werden onderschept en haar nooit bezorgd. Foto’s van haar achterkleinkinderen werden uit haar kamer meegenomen. We slikten keer op keer. Ik heb oma nooit zoveel weten huilen, niet alleen bij ons maar ook bij de verpleging omdat ze niet begreep waarom haar kinderen haar zo behandelden.

Het was je zus die oma in de laatste week van haar leven wou laten sterven in een versleten pyjama omdat ze aan haar geen geld meer wou spenderen. Weet je dat ik die week pyjama’s voor oma ben gaan kopen zodat ze waardiger heen kon gaan?

Het was jij die besloot ons, de drieling, op haar doodsbrief niet als haar kleinkinderen te vermelden ook al had ze dat zelf wel gewild. Jij belde een paar dagen voor haar begrafenis om te zeggen dat we op de koffietafel niet gewenst waren. En het was jouw nicht die me na de begrafenis van oma terugmailde en me aansprak met het woord ‘bastaard’, want het venijn kruipt ook daar waar het niet gaan kan.

Een paar jaar voor haar heengaan bood ik jou een plek in het leven mijn zoon toen hij nog in mijn buik zat. Je bedankte hiervoor met als repliek: ‘Je denkt toch niet dat ik meer moeite voor hem ga doen, dan ik voor jullie heb gedaan’ en een ‘het hoeft niet voor mij’. Na zijn geboorte of die van mijn dochter liet je na iets van je te laten horen.

Ondertussen weet ik dat mijn kinderen en ik beter af zijn zonder jou, ook al had ik hen graag een fijne grootvader gegund. Mochten ze je ooit willen ontmoeten, weet dat het mogelijk is dat ik ooit op een dag met hen aan de voordeur van mijn ouderlijk huis sta. Het huis dat ze nog nooit bezochten omdat er voor hen als voor mij geen plaats was. Het is dè plek waar al onze foto’s werden weggehaald, lang nog voor enig interview werd gegeven.

Ik herinner me dat je me ooit in een ruzie toeriep: ‘Wacht maar tot als jij kinderen hebt’, ik repliceerde: ‘Slechter als jullie kan ik het toch niet doen’. Profetische woorden daar jij en mijn moeder de maatstaf werden om het vooral anders aan te pakken. En ja, perfect ben ik ook niet, maar hier wel de capaciteit om te reflecteren en trachten zo goed mogelijk voor mijn kinderen te zorgen. Hun bestaan doet het voorrecht te erkennen om in dit leven naast hen te mogen wandelen.

Weet dat ik gelukkig ben, misschien zelfs het gelukkigst dan ik ooit ben geweest. Ik heb nu door dat opgelegde verwachtingen enkel verachtingen van jouw kant zijn geweest. Ik besef des te langer dat het niet aan mij lag, maar aan jouw incompetentie om een goede vader te zijn. Ik hoef mezelf niet meer te verloochenen ook al deed jij dat wel.

Jij bent niet de vader die ik mezelf gegund of toegewenst had. Jij bent dat nooit geweest, ook al voorzag mijn kinderhart een grote plek voor je. Ik verdiende beter en meer. Ons leven had anders kunnen zijn, had je ooit iets meer mens en iets minder van excuus geweest.

Als ik je visualiseer denk ik aan een grijze man, die nog steeds aan diezelfde keukentafel met een fles wijn en sigaret in de hand zich beklaagt over het leven. Aan de overkant je zus die je inlepelt wat je denken, voelen en doen moet. Hier ergens ook opgelucht dat ik daar geen deel meer van uitmaak.

Laten we vooral stellen dat ik blij ben verlost te zijn van het korset waar mijn ziel nooit in paste en nooit in zal passen. En dat door deze brief te schrijven ik een deel van de ballast dat ik al veertig jaar met me meesleur, eindelijk wat uit mijn rugzakje kan halen.

Het gaat je goed en waarschijnlijk tot nooit meer.

Groet,
Steph

STP 2.jpeg

Ode aan mijn zus

Vier minuten ouder is ze en één van de weinige constanten in mijn leven. Haar ken ik, naast mijn drielingsbroer, het langst. Als goeie wijn heeft onze relatie moeten rijpen, want in het begin vond ik haar toch maar wat vreemd.

Ze was (en is) zo anders dan ik. Niet alleen van uiterlijk, maar ook qua karakter verschilden we ontzettend: zij was ordelijk, ik één en al chaos. Zij lustte alles, ik zo goed als niks. Tekenfilms, videogames, muziek en horrorfilms het zei haar nul komma nul. Als ze niet aan het studeren was, zat Phie te tekenen.

Schermafbeelding 2019-07-14 om 19.29.38.png

Pas toen we met ons tweetjes op internaat werden gestuurd, leerde ik haar voor het eerst echt kennen. Zij deed Latijnse (she got the brains) en ik Moderne Talen (‘cause life is too short to study a lot). We hadden andere vrienden maar het gedeeld verleden als het heden bracht ons samen.

Het duurde niet lang voor we vaststelden dat we eenzelfde verdriet, angst en schaamte in ons meedroegen. Gecombineerd met wat we in andere gezinnen konden observeren als we bijvoorbeeld een sleepover bij vriendjes hadden, begon het te dagen dat het er bij ons thuis helemaal niet ok aan toe ging.

Die 5 dagen per week op internaat werd onze safe haven, ookal was het er geen echte thuis. Op die dagen hoefden we namelijk de toorn van onze moeder niet te vrezen en kon ze ons niet raken.

Toch moesten we elk weekend terug naar huis, wetende dat hoe hoog we op de tippen van onze tenen zouden lopen, er d’office een moment zou komen waarop de blik in haar ogen veranderen zou, we op een rij in de keuken moesten staan en één voor één haar woede incasseren zouden. Mijn vader, familie en vrienden van mijn ouders gedoogden het allemaal, niemand heeft ons ooit beschermd because nobody really cared.

Als ik terug aan toen denk, kan ik me het geweld altijd al herinneren. Als kind wil je alleen maar koestering en zorg van diegenen die het dichtst bij jou staan. Jarenlang wandelden we kinderlijk naief steeds weer het mijnenveld op.

Systematisch en onophoudelijk werden we keer op keer verwond en dit van de leeftijd van 4 jaar. Na elke blow stonden we terug op. Met open hart en armen liepen we diegene tegemoet waar we het meest een knuffel van verlangden. Needless to say, veel werd er niet geknuffeld. Dit maakt dat heel wat van onze littekens aan de binnenkant zitten.

Als ik foto’s van ons van vroeger terug zie, wens ik nog steeds dat het ooit op een dag mogelijk is om er te kunnen binnen wandelen en ons mee te nemen, weg van al hetgeen we hebben moeten doorstaan.

Mijn zus leek van staal. Niets kon haar van haar stuk brengen, terwijl ikzelf bij momenten een tranenfontein leek. Statig en met gestrekte rug ging ze alles tegemoet: als een soldaat die zijn weg verder zet ondanks de herhaaldelijke inslagen van sluipschutters.

Incasseren doen we nog steeds. Misschien niet meer op de mat in de keuken, maar wel in het leven door al diegenen die vandaag nog niet toegeven willen dat ze haar (en ons) te kort deden.

Ik ben boos op hen omdat ze mijn zus een verdriet hebben bezorgd waar ze zelf nooit een aandeel in had, maar bij momenten ontzettend hard van afziet. Als ik kon zou ik deel van dat verdriet in mijn rugzakje willen steken. Want ze verdient beter dan ze hetgeen ze heeft gekregen.

Ik zeg het haar niet vaak genoeg, maar ik ben ontzettend trots op haar. Ik vind haar een geweldig persoon, heel pienter, lief, attentvol ookal luistert ze meestal maar half en praat ze door films, is ze een lieve moeder voor haar twee kinderen en de beste zus die ik me ooit wensen kon. Ze is meer dan de persoon die anderen haar toelieten te zijn.

Ik hoop dat we samen nog heel wat en heel lang f*ck you’s uitdelen kunnen. En uiteraard ook knuffels voor diegenen die het echt verdienen.

Phieke, there is a knuffel coming up als ik je terug zie,

Groet,
Steph

Schermafbeelding 2019-07-14 om 19.04.00.png

Medeplichtigen aan de leugen

Met 8 waren ze, de mensen die naast mijn ouders op hoogte waren dat onze oorsprong ergens anders lag dan de aangeboden Brabantse klei. Mijn 4 grootouders, de zus van mijn vader en diens echtgenoot, de zus van mijn moeder maar ook de huisarts maakten deel uit van het pact om ons in een leugen te laten opgroeien. Onder het motto ‘wat niet weet, deert niet’ dachten elk van hen er goed aan te doen de waarheid voor ons te verzwijgen.

IMG_8455.jpg

 

Het clubje steeg in aantal naarmate er neefjes, nichtjes en nieuwe partners bijkwamen. Elk van hen wist wat wij niet over onszelf mochten weten. Nu nog steeds vraag ik me af of een liefde echt puur en oprecht kan zijn als je bereid bent te liegen over iets dat de ander aanbelangt. Liegen of niet vertellen doe je namelijk niet uit het belang van het kind, meestal wegen andere belangen net iets harder door.

Ik kan begrijpen dat de gedachte dat het niet aan jou is om de kinderen in te lichten of een vrees dat complicaties optreden zullen eens de waarheid wordt verteld, mogelijks mensen tegenhouden om door de appel heen te bijten. Maar niet vertellen maakt je schuldig aan medeplichtigheid aan een grove leugen. Een soort van schuldig verzuim daar verantwoordelijkheden worden verzaakt ten aanzien van het kind of het nu je neefje, nicht, … of kleinkind is.

Er zijn heel wat donorkinderen die nu nog steeds niet weten dat ze van andere makelij zijn dan de afkomst hen werd aangemeten. Weet wel dat als het donorkind erachter komt, het d ‘office nagaan zal wie allemaal op de hoogte was en dus naliet het eerder in te lichten.

Ikzelf wist het pas op mijn 25ste. Veel te laat. Zo laat dat zelfs psychologen sympathiek knikkend een luisterend oor aanbieden. Tuurlijk had ik het liever vroeger geweten. Naast een onvermijdelijke identiteitscrisis deed het ook mijn al relaties vraag stellen. Want als de mensen die het dichtst bij me staan zulke fundamentele leugen lieten manifesteren, wat heeft de rest dan voor me in petto?

Groet,
Steph

Zijn jouw ouders wel je echte ouders?

Zelf duurde het tot mijn 25ste voor ik er achter kwam dat mijn vader niet mijn echte vader was. Het ongeloof was in eerste instantie groot daar ik nooit had gedacht dat de twee mensen die ik het meest vertrouwde me zo misleiden konden door me te doen geloven dat ik het biologisch kind van hun beiden was.

Vijfentwintig jaar lang had ik me foutief weerspiegeld aan een man waar ik niet van afstam. En ookal voelde ik aan dat er iets in ons gezin niet klopte, nooit had ik kunnen bedenken dat een geheim en de leugens die daaruit voortvloeide, met een voorbedachte rade werden uitgevoerd door de mensen waar ik het onvoorwaardelijks van heb gehouden. Het zou mijn kijk op relaties voorgoed veranderen.

FullSizeRender.jpg

Naast de vraag ‘Hoe voelt het om een donorkind te zijn?’ krijg ik het vaakst ‘Wist je het ergens al eerder?’ voorgeschoteld. Ik weet nog toen ik het verteld kreeg, een flashback plaatsvond zoals anderen dat hebben als ze bijvoorbeeld ontdekken dat hun lief hen bedrogen heeft. Ik ging terug in tijd op zoek naar die momenten waarop ik het eerder had kunnen weten maar nog niet over de juiste kennis beschikte om de informatie, of de kruimels zoals ik ze benoem, correct in te schatten.

Zo was er die ene keer dat ik voor een schoolopdracht mijn bloedgroep herleiden moest uit de bloedgroepen van mijn ouders. Het klopte voor geen meter en toen ik mijn moeder hierover aansprak, vertelde ze me dat de juf het waarschijnlijk verkeerd had uitgelegd. Maar de juf had zich helemaal niet vergist. Ik was toen gewoon te jong en te goedgelovig om mijn ouders in vraag te stellen. Weet dat vandaag de dag fertiliteitsartsen ervoor zorgen dat het kind wèl de bloedgroep van de sociale ouders heeft. Zo is het eenmaal makkelijker om de leugen aan te houden.

Wat me vooral is bijgebleven is algehele desintresse van mijn vader. Hij was er wel, maar altijd vanop een afstand, nooit van dichtbij. Toenadering zocht hij zelden. Gesteld op rust en orde, ervaarde ik vooral een ongemakkelijkheid bij hem. Zoals dat moment in de keuken. Ik moet een jaar of 10 zijn geweest. Het was in de namiddag en hij vroeg me om bij hem te komen zitten. Daar zat ik dan. Geen woord werd gewisseld, geen enkel gevoel werd gevoeld behalve dan een soort van akwardness en de opluchting wanneer ik terug verder kon gaan spelen.

Er zijn heel donorkinderen die niet weten dat ze een donorkind zijn. Zogezegd zou slechts 10% van alle donorkinderen op de hoogte zijn. Maar hoe bereken je dat percentage als je niet alle donorkinderen bevragen kan omdat het gros nog steeds in het ongewisse leeft? En hoe bereik je die donorkinderen die vandaag nog steeds in een leugen leven?

images.jpeg

In de lezingen die ik geef maak ik het publiek er steeds attent op dat de kans groot is dat onder hen ook donorkinderen zitten die het nu nog niet beseffen. Ik geef hen een aantal tips mee zodat ze zelf kunnen achterhalen of ze al dan niet onder vreemde of anonieme noemer het leven werden ingestuurd. Want die kennis behoort namelijk hen toe.

Neen, ik vind niet dat ouders hierover tegen hun kinderen mogen liegen. Het maakt deel uit van hun verhaal, niemand heeft het recht moedwillig de eerste hoofdstukken uit hun levensverhaal te scheuren. Daarnaast komen steeds meer donorkinderen het bij toeval te weten, hetzij door derden of door een DNA test bij een internationale DNA databank.

Voor zij die een vermoeden hebben, lijst ik een aantal vragen en bedenkingen op de je mogelijks sneller naar de waarheid brengen zal:

• Hadden je ouders moeilijkheden om zwanger te geraken? Werden ze pas zwanger na jaren proberen en met hulp van een fertiliteitsarts?
• Heb je je altijd een vreemd gevoeld in het gezin of de familie waarin je opgroeide?
• Deel je totaal geen gelijkenissen met een kant van je familie, broers of zussen?
• Heb je de indruk dat bepaalde onderwerpen onbespreekbaar waren/zijn in het gezin waar je opgroeide? Zijn er grote gevoeligheden over bepaalde thema’s?
• Zijn je ouders uit elkaar gegaan en heb je geen tot slecht contact met je vader?
• Doen bepaalde familieleden raar of negatief ten aanzien van je?

De antwoorden op deze vragen kunnen een indicatie zijn dat er iets niet klopt aan het afstammingsverhaal dat je ouders je vertelden. Heb je vermoeden neem dan contact op met mensen die je vertrouwt of waarvan je weet dat ze geen reden of belangen hebben om tegen jou te liegen. Je kan ook altijd contact opnemen via deze site of Donorkinderen vzw. 

Groet,
Steph

Een wensouder is GEEN ouder

There I said it. Het moet er een keertje van af. Een wensouder is GEEN ouder. Een ouder ben je pas als je een kind kreeg of verloren hebt. Ook hier is de biologie hier zeer clean cut in: ofwel ben je zwanger ofwel niet. There is no in between. Ben je nooit zwanger geweest, dan is het vals om deze persoon als ouder te benoemen, daar deze mensen slechts volwassenen zijn die naar een kind verlangen. To be fair: dit zou minder goed bekken, maar bovenal het zou te veel plaats innemen op de folders en websites van instellingen die het verkopen van w(m)ensen nu eenmaal in aanbieding hebben.

reality-check.jpg

Het woord ‘wensouder’ werd uitgevonden door een industrie en is niet meer dan een betuttelende in-hoop-verpakte misleiding. Het doet heel wat volwassenen geloven dat er een kind aan het eind van de tunnel zal zijn. De term projecteert namelijk de boodschap dat iedereen een kind krijgen kan, zolang de wens groot genoeg is. In een bepaald opzicht kan je spreken van een indoctirinatie welke leidt tot normalisatie: het doet volwassenen ook veronderstellen dat ze recht op een kind hebben.

Ik heb hard gezocht maar heb geen enkel woord in onze taal gevonden dat toelaat voortschrijdend een titel of een bepaalde status toe te wijzen enkel omdat er naar verlangd wordt. Als dat wel zou zijn dan zou ik nu kunnen claimen, en in een later stadium ook kunnen eisen, dat ik naast wens-vice premier ook een wens-operazangers ben met een wens-zwarte huidskleur. Maar de realiteit is, dat ik nooit de politiek in zal gaan, biologisch niet werd gezegend met een zangstem noch een zwarte huidskleur. En dat hoe hard ik misschien zou verlangen naar dit alles, ik me misschien wel bepaalde zaken zou kunnen aanmeten maar deze fake zouden zijn: ze zouden slechts een illusie opwekken van een gemanipuleerde realiteit.

Iemand die een wens-grote boezem wil, kan daar chirugisch iets aan laten doen. In de volksmond noemen we dit ook nep tieten. Iemand die een getinte huid wil, kan hiervoor regelmatig in een sproei-cabine gaan staan. Iemand die kaal is kan een toupet opzetten. Wel niet vergeten toupetten-taks te betalen zodat de rest van de omgeving kan doen alsof we niet doorhebben dat er een huisdier op je hoofd ligt (quote pwd).

We leven in een maatschappij welke fake-ness promoot en in stand houdt. Elke dag worden zowel jij als ik doordrengt met impulsen van wie en hoe we zogezegd moeten zijn om aan het ideaal plaatje te voldoen. Mensen die gelukkig(er) worden van hair extensions, fake boobies, een penisverlening, geslachtsverandering, … by all means. Maar het verandert de realiteit niet, het schept enkel een illusie voor de buitenwereld. Meestal draait het rond perceptie of wat we de ander willen doen geloven.

images.jpeg

Als ultieme uiting van onze consumptie en fake-ness maatschappij werd donorconceptie in het leven geroepen. Waar bovenstaande voorbeelden zich enkel beperken tot het individu gaat donorconceptie een dimensie verder: het gaat ten koste van de persoon die er uit voorkomt en dit omdat een volwassene alsnog een kind voor zichzelf claimen kan. Hier ook is het niet meer dan een illusie. Het beoogt de verwekking van een kind dat zo goed mogelijk lijken zal op diegenen die het bestelden. Deze perceptie wordt doelbewust gecreeërd zodat omgeving denkt dat het kind biologisch van het koppel of de alleenstaande volwassene is. Maar het is fake. Net zoals de nep tieten, de haarkleuring, de liposuctie, … Alleen gaat het hier om mensen.

Zolang de industrie en onze maatschappij de realiteit niet durft benoemen, zolang zullen de hoofden voornamelijk in het zand en de geldbeugels blijven zitten. Ikzelf leef liever in de waarheid dan in de leugen van een ander. We zijn namelijk meer waard dan de waarde welke we werden toegekend.

Steph, het nep-kind van mijn juridische ouders